Website Jaap van Schagen en Henriette Buzepol - Stamboom -Achtergrond info

                                   Stamboom - Info : Achtergrondinfo

 

Terug naar Stamboom   |   DTB-registers   |   Achtergrond info   |   Beroepen   |   Voorouders   |   Links

In het oude China leefde eens een arme boer. Deze boer had zijn keizer een grote dienst bewezen door het schaakspel voor hem uit te vinden. De keizer was met dit edele spel zo gelukkig, dat het arme boertje zelf mocht zeggen wat hij als beloning zou willen hebben.
Uiteindelijk deelde het boertje de keizer zijn keuze mee. Hij vroeg hem als beloning een schaakbord. Op dit schaakbord, dat zoals wij weten 8 x 8 = 64 velden groot is, verlangde de boer op het eerste veld 1 rijstkorrel, op het tweede veld het dubbele aantal, dus 2 rijstkorrels, op het derde veld wederom het dubbele, dus 4 rijstkorrels en volgens deze meetkundige reeks zo verder het hele schaakbord vol. De keizer lachte wat meewarig toen hij deze wens van het arme boertje hoorde. Ieder ander zou op z'n minst zijn gewicht in goud als beloning gevraagd hebben. Dit eenvoudige boertje echter vroeg slechts een eenvoudig schaakbord met een handvol rijstkorrels. Daar kwam hij dus goedkoop vanaf en met een knikje van zijn hoofd gaf hij te kennen de wens van het boertje in te willigen.
Hier kreeg de keizer al vlug spijt van, want naarmate de velden op het schaakbord met rijstkorrels gevuld werden bleek al spoedig dat de hoeveelheid benodigde korrels wel wat meer dan een vuist vol was.

Uiteindelijk bleek dat de keizer voor deze beloning niet alleen zijn hele bezit nodig had, maar dat hij dan nog slechts een uiterst klein deel van de wens van de boer vervuld had.
Sterker nog, op onze aardbol zal nooit voldoende rijst groeien om aan deze wens van het arme, doch uitgekookte boertje tegemoet te kunnen komen.

Wat heeft dit met genealogie te maken. Ogenschijnlijk niets. Maar ook onze voorouders vermeerderen zich per generatie volgens deze zelfde meetkundige reeks. Elk persoon heeft nu eenmaal 2 ouders, 4 grootouders, 8 overgrootouders enzovoort. Zouden we er van uitgaan dat er in een eeuw vier generaties leven, dan hebben we in slechts 16 eeuwen dus eenzelfde aantal generaties als datzelfde schaakbord velden heeft.
Zijn we in de geschiedenis 20 generaties teruggegaan en daarmee ongeveer in het jaar 1500 beland, dan praten we alleen in die generatie al over 524.288 personen (in datzelfde jaar 1500 leefden er in de gehele Nederlanden nog maar ongeveer 1 miljoen inwoners).

In de praktijk zullen deze personen in die generatie echter niet allemaal verschillende personen zijn. Er zullen zich, met name in de gebieden met een wat beperkte bevolkingsomvang, een heleboel dezelfde personen onder bevinden. Dit omdat men over vele generaties heen allemaal wel min of meer aan elkaar verwant is en dus gemeenschappelijke voorouders heeft. Toch geeft dit getal wel zo'n beetje aan, dat je niet zo maar eventjes je afstamming uitzoekt en dat dit onderzoek alleen al zich vaak over meerdere generaties zal uitstrekken.

Gedurende de Franse overheersing rond het jaar 1811, moest een ieder in Nederland een familienaam aannemen.
Voor die tijd kwamen familienamen echter al veelvuldig voor. Welgestelde en adellijke families gebruikten al eeuwen een familienaam en ook in de grotere leefgemeenschappen zoals de wat grotere steden was het gebruik van familienamen, ook voor het "gewone" volk, noodzakelijk.
In de kleinere gemeenschappen op het platteland kon men echter volstaan met het gebruik van een voornaam. Omdat ook in deze kleinere gemeenschappen vaak meerdere personen met dezelfde voornaam voorkwamen voegde men aan deze voornaam een zogenaamd patroniem toe.
Die ene Klaas, die de zoon van Willem was, werd met de toevoeging van dat patroniem dan aangeduid als Klaas Willemsz(oon) en de Klaas die de zoon van Pieter was werd dan dus Klaas Pietersz genoemd.
Alleen in de steden was dit gebruik van patroniemen onvoldoende, want daar waren natuurlijk vele Klazen die de zoon van ene Willem of Pieter waren. Vandaar dat daar al eerder het gebruik van achternamen ontstaan was uit de behoefte iedereen uit elkaar te houden. In de Zuidelijke Nederlanden was het gebruik van familienamen echter al langer bekend.

In de wat kleinere gemeenschappen kwamen achternamen ook wel voor. Bijvoorbeeld wanneer iemand verhuisde van de ene naar de andere gemeenschap, waar men de vader van Klaas niet kende. Dan werd er aan de voornaam Klaas wel de naam van de plaats of dorp toegevoegd vanwaar Klaas gekomen was. Zo werd hij dan wel Klaas van Zutphen, Klaas van Deventer of wat dan ook genoemd. Die dan gebruikte toevoeging ging dan weer vaak over op de kinderen en kleinkinderen en werd zo een familienaam.

Ook bijnamen en namen van boerderijen of bijvoorbeeld kavels gingen wel op kinderen over en werden in de loop der tijd een familienaam. Met de familienamen die afgeleid werden van de naam van een boerderij, herberg en dergelijke moeten we echter voorzichtig zijn. Werd een boerderij waarvan de bewoners de naam als toevoeging op de voornaam gebruikten verkocht aan anderen, die op geen enkele wijze gerelateerd waren aan de oorspronkelijke bewoners, dan werden vaak ook de nieuwe bewoners met diezelfde toevoeging benoemd. Met dit gebruik moeten we, op zoek naar onze voorouders, met name in Oost Gelderland en Overijssel beslist rekening houden omdat we anders op een verkeerd spoor gezet worden.

Zoals reeds opgemerkt waren het de Fransen, die ons nu bijna twee eeuwen geleden verplichtten, met de invoering van de burgerlijke stand, een vaste familienaam te voeren. Gebrek aan originaliteit en onwil om aan deze verplichting mee te werken is de oorzaak van de vele Jansens, Pietersens en dergelijke.
Dit had als grote voordeel, dat de geboorte, het huwelijk en het overlijden van een ieder op uniforme wijze werd vastgelegd. Ons voordeel hierin is, dat we met dit hulpmiddel vrij gemakkelijk onderzoek kunnen verrichten, waardoor we met onze voorouders in de regel probleemloos terug kunnen zoeken tot in het begin van de negentiende eeuw.
Daarvoor wordt iets moeilijker, want voor de invoering van de burgerlijke stand zijn we afhankelijk van de gegevens die kerkelijk werden vastgelegd m.b.t. de doop, het kerkelijk huwelijk en het begraven. Alhoewel men in die tijd in tegenstelling tot de huidige, vrijwel altijd bij een kerkelijk genootschap aangesloten was, waren er echter toch die dat niet waren en waarvan dus ook geen gegevens vastgelegd werden.
Ook zijn niet alle doop-, trouw- en begraafboeken bewaard gebleven. Er zijn er die door brand of oorlogsgeweld verwoest zijn maar er zijn er ook die door opruimerige archivarissen gewoon weggegooid zijn. Daarmee kan ons spoor dus doodlopen.
Gelukkig zijn er echter ook nog andere bronnen, die ons in een dergelijk geval kunnen helpen, waarover later meer.
Dit gebruik om de dopen, kerkelijke huwelijken en het begraven vast te leggen, dateert ongeveer van 1625 tot 1680. Met een beetje geluk kunnen we met deze hulpmiddelen vele van onze voorouders terugvinden.
Daar waar het in het verleden nog mogelijk was de oorspronkelijke doopboeken te raadplegen, is dit thans in de meeste gevallen niet meer toegestaan. Door de toenemende belangstelling voor genealogisch onderzoek waren deze bronnen aan slijtage en andere beschadigingen onderhevig. Gelukkig bleef de toegankelijkheid bewaard door de microfiches die van de boeken vervaardigd zijn. Deze zijn wel door een ieder op de archieven te raadplegen. 

De periode voor de doop-, trouw- en begraafboeken (kortweg DTB's genoemd) is nog moeilijker te onderzoeken. Willen we gegevens van onze voorouders van voor deze tijd vinden, dan zijn we aangewezen op de nog bestaande notariŽle en gerechtelijke stukken van voor die tijd. We moeten dan maar hopen dat onze voorouders of vermogend, of uiterst crimineel geweest waren. Dat maakt de kans het grootst dat er over hen gegevens terug te vinden zijn. Ook kan het helpen als we afstammelingen zijn van een oud adellijk geslacht, want dan is er in de regel ook wel het een en ander van onze voorouders terug te vinden.